het dorpse karakter & verappartementisering

Inzetten op verdichting met hoogwaardige inbreidingsgerichte projecten, daar is iedereen het over eens. Maar enkel doorgedreven verappartementisering biedt geen soelaas.

tekst verschenen in Kerk & Leven op 22 augustus jl.

Tegenwoordig juichen sommige opinie- en beleidsmakers de verappartementisering van Vlaanderen toe. Bouwblokken van acht tot twaalf verdiepingen hoog zouden volgens hen de toekomst zijn, ook in dorpskernen. Een dergelijke ingreep verandert evenwel het karakter van een dorp en de leefomstandigheden van de inwoners drastisch. Hoewel inzetten op appartementen in dorpskernen kan tegemoetkomen aan bv. veranderende woonwensen van ouderen die zich dichter bij winkels en andere voorzieningen willen vestigen, doet men er goed aan eerst te onderzoeken wat de wensen van particulieren zijn en alle opties - waarvan appartementen er één zijn - mogelijk te maken. Dit om draagvlak te creëren.

Elke gemeente moet daarbij waken over haar kerntaak in de stedenbouwkundige planning: bewoners beschermen tegen schaduw- en windhinder, verkeersoverlast en het aanleggen van duurzame groenvoorzieningen maken hier deel van uit, wil men de dorpskernen niet vereenzamen. Belangrijker nog is dat men rekening houdt met de historische eigenheid van dorpen; de meeste dorpen zijn ontstaan rond de kerktoren. Het is net die lokale eigenheid die onze Vlaamse dorpen kenmerkt.

Door inspanningen en technologische innovaties vanuit de bouwsector kunnen de meest uiteenlopende woonwensen op een milieuvriendelijke manier ingevuld worden. Of het nu gaat om een alleenstaande woning, een twee- of driegevelwoning, woonerven of een flat, allerhande technieken kunnen de ecologische voetafdruk beperken.

Er moet alleszins een uiteenlopend aanbod zijn. Zo kan het opdelen van bestaande woningen - ongeacht de ligging - in twee wooneenheden een uitweg bieden aan mensen (bv. ouderen) die minder ruimte nodig hebben. Deze pragmatische oplossing vergt geen extra ruimtegebruik en herwaardeert het bestaande gebouwenpatrimonium, zonder dat men in de hoogte hoeft te bouwen.

In elk geval zal het nodig zijn om bij de concrete invulling van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV) de gemeenten actief te betrekken. Niet alleen kennen zij de lokale knelpunten, ook kunnen zij de opportuniteiten op het terrein sneller detecteren. Net daarom moeten de gemeenten de vrijheid krijgen om de krijtlijnen van het BRV naar haalbare lokale beleidsopties te vertalen.

Ten slotte, landen met een hoge bevolkingsdichtheid die als referentie voor verdichting gelden, hebben niet automatisch eenzijdig op appartementen ingezet. Denk maar aan Nederland waar meer dan 60 procent van de bevolking in halfopen bebouwingen woont (VRIND 2017).