Woonuitbreidingsgebieden blijven benutten

Schrapping reduceert ook fors de mogelijkheden voor sociale woningbouw

De sociale huisvestingsmaatschappijen (SHM's) bezitten 855 hectare grond in woonuitbreidingsgebied, 467 hectare in woongebied en 155 hectare in andere gebieden. Ongeveer 58% van de gronden in eigendom van de SHM's bevinden zich dus in woonuitbreidingsgebied. Dat is gebleken uit een bijlage bij het antwoord van minister Homans op een vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger An Moerenhout van Groen. De schrapping van woonuitbreidingsgebieden reduceert dus ook zeer sterk de resterende mogelijkheden om bijkomende sociale woningen te bouwen.

Een van de zogenaamde 'quick wins' in het groenboek van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen bestaat erin de woonuitbreidingsgebieden van verdere bebouwing te vrijwaren en in dit kader van deze gebieden een positieve en negatieve lijst op te stellen. Dat bepaalde woonuitbreidingsgebieden daardoor niet meer mogen worden aangesneden, is niet alleen voor particuliere eigenaars maar duidelijk ook voor publieke eigenaars een dikke streep door de rekening.

Limburg en Vlaams-Brabant meest getroffen

Uit de cijfers blijkt dat de situatie zeer sterk verschilt per provincie. In Limburg bijvoorbeeld liggen 76% van de gronden in bezit van SHM's in woonuitbreidingsgebied en amper 18% of 50 hectare in woongebied. Naar rata van 25 woningen per hectare mogen de Limburgse SHM's nog maar 1.250 sociale huurwoningen oprichten als zij hun gronden in woonuitbreidingsgebieden en andere bestemmingen niet meer mogen gebruiken. In Vlaams-Brabant ligt nog maar 39 hectare van de SHM-gronden in woongebied. Daar kunnen naar rata van 25 woningen per hectare nog amper 975 sociale woningen worden gebouwd. De situatie is het gunstigst in West-Vlaanderen met nog 160 hectare in woongebied en maar 106 hectare in woonuitbreidingsgebied.

Woonuitbreidingsgebieden niet laten aansnijden heeft dus niet alleen belangrijke gevolgen voor particuliere en private eigenaars maar ook voor de SHM's. SHM's toelaten om uitzonderlijk toch nog op woonuitbreidingsgebieden te bouwen, zoals tot nu toe het geval was, is volgens de VCB geen optie. Als het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen bepalend is voor alle beleidsbeslissingen en op basis hiervan principes op het vlak van ruimtelijke ordening worden gehuldigd, moeten die voor alle partijen gelden, zowel publieke als particuliere en private.

Juiste vragen stellen

Volksvertegenwoordiger An Moerenhout vroeg dan aan minister Homans hoe de getroffen SHM's zouden worden ondersteund. Buiten het feit dat minister Homans hiervoor verwees naar minister Schauvlieghe, stelde zij niet de juist vraag. De vraag moet eerder zijn: op welke manier kunnen wij zoveel mogelijk woonuitbreidingsgebieden blijven bebouwen. Want hoe meer woonuitbreidingsgebieden van bebouwing worden uitgesloten, hoe groter de kosten zullen liggen om de eigenaars te vergoeden. Dat blijkt nu duidelijk uit het voorbeeld van de SHM's. Ook zij zullen voor het waardeverlies van hun gronden moeten worden vergoed. De kosten hiervoor kunnen hoog oplopen. SHM's zullen naar andere bouwgronden moet uitkijken en die moeten verwerven. Ondertussen is er dan nog geen enkele sociale woning gebouwd.

De Vlaamse Confederatie Bouw heeft in een vorig blogbericht reeds benadrukt dat een inkrimping van de woonmogelijkheden in combinatie met het huidige verdichtingsritme betaalbaar en comfortabel wonen voor de bijkomende gezinnen van de groeiende bevolking in het gedrang brengt. Het viseren van de percelen in woonuitbreidingsgebied bevestigt deze bezorgdheid, niet het minst vanwege het aanzienlijk aandeel van percelen van SHM's. Daardoor wordt het met name voor gezinnen met een beperkte financiƫle draagkracht moeilijker dan tevoren om een kwaliteitsvolle, betaalbare woning te vinden.

Een analyse van de gevolgen van het bevriezen van de woonuitbreidingsgebieden is daarom hoognodig, met antwoorden op vragen zoals binnen welke tijdsspanne elders bijkomende woongelegenheden kunnen worden verwezenlijkt en wat het kostenplaatje zal zijn voor gezinnen, bedrijven en (lokale) overheden.